.comment-link {margin-left:.6em;}

DORST.

25 augustus 2006

Wateroverlast

Er viel zoveel regen dat het wel nacht leek. Mijn ruitenwissers konden zelfs op kruissnelheid de bakken water niet meer trotseren. Ik moest mij langs de kant van de weg parkeren, dat wist ik. Met blinde tastzin er dan toch geraakt. Wat een rust, daar in mijn stalen coccon. Spitter petter pater lekker in het water, ga alvast naar huis, hij komt een druppel later. Nat bemanteld, een geïmplodeerd zwembad overdekt. Het water begon te stijgen, hoger en hoger, tot wanneer enkel de verlichtingspalen op de autosnelweg nog boven het oppervlak uittuurden. Mijn lotgenoten en ik openden onze portieren en zwommen dartel en vro in het rond. We waren als vissen geworden, naakt in het water, en we kusten en zwommen en vrijden en bereikten de top van de kathedraal, waar we onze nesten zouden bouwen. Want ooit zou alles opdrogen, ooit zou de vloeibare muur gaten vertonen. Dan zou de lucht onze longen terug vullen, zo veel en zo snel dat vleugels uit onze ruggengraat zouden priemen. Om tussen de regen te vliegen, hoog, kijk, zo hoog. Dag, vogelstipje, zo groot als een druppel.

4 Comments:

Een reactie plaatsen

<< Home